Debacles in wooncorporaties – relevantie voor aanvraagbeoordelaars

Na de management- en fusiedebacles in de semipublieke sectoren onderwijs (Amarantis), zorg (Meavita) en vluchtelingenopvang (COA) ligt recentelijk een vierde sector onder de loep, namelijk die van de woningcorporaties – in de vorm van een parlementaire enquête nog wel. Dan is er wel wat aan de hand. In een parlementaire enquête worden getuigen onder ede verhoord en zijn ze verplicht te antwoorden. Er zijn de afgelopen jaren honderden miljoenen euro’s verloren gegaan met ondoorzichtige beleggingsconstructies, gewaagde aankopen en door falend toezicht. Dat wordt nu onderzocht.

Er zijn parallellen te trekken tussen de beleggingsportefeuilles waaraan de wooncorporaties zich waagden en de projectvoorstellen die je als aanvraagbeoordelaar onder ogen krijgt. In feite wordt je gevraagd mee te gaan in de ideeën en het enthousiasme van de aanvrager die, evenals een beleggingsmakelaar, vertrouwen probeert te wekken dat het met het project wel goed komt en een verleende bijdrage goed zal worden besteed. Daarnaast duiken semi-publieke instellingen in toenemende mate op als aanvrager bij vermogensfondsen. Twee redenen om hier aandacht aan te besteden.

Voor degenen die meteen de moraal van dit verhaal willen lezen: klik hier. Heb je wat meer tijd: lees verder.

Een vraag die me bezighoudt is: hoe heeft de woonsector dergelijke verliezen kunnen leiden? Hebben mensen niet opgelet? Op radio1 is (vanaf 46:23 min) een fragment te beluisteren van 11 juni 2014, waarin een voormalig lid van de Raad van Toezicht van woningcorporatie Vestia in Rotterdam werd verhoord. De vragen spitsen zich toe op het mogelijk achterhouden van informatie door de voormalig directeur van Vestia, Erik Staal, voor de Raad van Commissarissen.

Jeroen Lugte, voormalig lid van deze Raad, beweert geen brieven te hebben ontvangen van banken die waarschuwden voor de risico’s van de beleggingen (in derivaten) door Vestia. De Raad van Commissarissen had bovendien onvoldoende kennis in huis om zelf de risico’s van dergelijke ‘exotische’ financiële producten te kunnen doorgronden. Iemand met inzicht in dergelijke beleggingen ontbrak aan de Raad van Commissarissen. Dat gebrek aan kennis is nooit ter sprake gebracht door Lugte: ‘Nee, natuurlijk niet’ beweert hij stellig.

Hier zou ik even een stilte willen laten vallen.

Het ter sprake brengen van gebrek aan kennis zou in de eerste plaats hebben betekend, dat de toen zittende leden hadden moeten toegeven dat ze (op sommige zaken) incompetent waren. Dat is niet makkelijk. Iemand ‘verdient’ een commissariaat  op grond van maatschappelijke loopbaan en reputatie; die ondermijn je niet zo maar. Dat kan verklaren waarom Lugte moeite heeft met toegeven dat hij tekort is geschoten in zijn toezichthoudende rol. Dat is toch het beeld wat zich opdringt: hij had onvoldoende kennis, maar deed geen afstand van zijn competenties. Een goed bestuurder kent de grenzen van zijn competenties.

Deze ontkenning is ook te herkennen in de uitspraken van directeur Rini Teuben van woningcorporatie Rentree in Deventer, die verantwoordelijk is voor het besluit om een stuk grond te kopen voor een veel te hoog bedrag. Daarvoor had hij geen advies ingewonnen of toestemming gevraagd: ‘Wij hadden de kennis zelf in huis. En ik mocht zelfstandig beslissen over bedragen tot 15 miljoen euro. Het verlies komt door de financiële crisis. Ik sta nog steeds achter het besluit.’ Ontluisterend. Alsof je een dure stadsfiets koopt die na 250 km bosrit doormidden breekt en beweert: ‘ik vind het nog steeds een goed idee om ‘m te kopen.’ Natuurlijk had iemand met een dergelijk mandaat zelf de financiële risico’s van grondspeculatie moeten inschatten. Je moet hem nageven dat hij met deze uitspraak in ieder geval de volledige verantwoordelijkheid voor het besluit op zich neemt.

Als aanvraagbeoordelaar voor fondsen kreeg ik af en toe aanvragen onder ogen waarvan ik niet in staat was in te schatten, wat er mee wordt bereikt en met welke risico’s. Soms is de organisatie zó complex dat niet duidelijk is wie waarvoor verantwoordelijk is. Op grond van de jaarrekening was het niet mogelijk iets zinnigs te zeggen over de vermogenspositie of er bleek uit dat de aanvrager belegde in aandelen waarvan niet duidelijk is of dat nodig is en welke financiële gevaren daaraan zijn verbonden. Dergelijke aanvragen gaan mijn beoordelingsvermogen te boven. Ik had de mogelijkheid om advies in te winnen bij een collega met specifieke kennis, maar dat is niet altijd de oplossing. Als deze collega de enige is die de aanvraag doorgrondt, is het fonds wel erg afhankelijk van deze ene collega. Je kunt moeilijk in je advies schrijven: ‘ik stel voor om bij te dragen, want collega Frits staat er achter.’ Extern advies inwinnen is ook niet altijd een oplossing, want dat is te vrijblijvend. Een externe deskundige die positief adviseert kan nooit worden aangesproken op het resultaat van een project als dat tegenvalt. Mijn vuistregel is dat ik het zélf moet kunnen uitleggen, anders kan ik niet achter een aanvraag staan. Ik zag in dergelijke gevallen geen andere optie dan voor te stellen om het project af te wijzen met als argument dat risico’s van financieel beheer niet goed zijn in te schatten.

Ook al zijn fondsen geen semipublieke instellingen, ik heb de beoordeling van aanvragen altijd gedaan in het besef dat zij beschikken over publiek geworven geld. Dat geldt in ieder geval voor fondsen die inkomsten uit donateurscampagnes ontvangen en voor fondsen die beneficiant zijn van een goededoelenloterij. Maar ook vermogensfondsen beschikken in veel gevallen over middelen die door de oprichter(s) bestemd zijn voor het algemeen nut. Ook al hebben zij geen wettelijke verantwoordingsplicht, dan nog geldt dat zij op dezelfde prudente manier om dienen te gaan met het geld dat hen is toevertrouwd. Dat brengt een verantwoordelijkheid met zich mee voor de betrouwbaarheid van een besluitvoorstel dat de aanvraagbeoordelaar in zijn advies uitbrengt aan het bestuur van het fonds.

Sommige fondsen dragen bij aan projecten die door semi-publieke instellingen worden gefinancierd. De vraag is of een organisatie die zich permitteert om speculatief te opereren op de aandelenmarkt of met beleggingen een bijdrage van een fonds waard is. Vooralsnog gaf een aantal fondsen dergelijke instellingen het voordeel van de twijfel. De vraag is echter of zij dit voordeel nu niet aan het verspelen zijn.

 

Geef een antwoord