Afhankelijkheid tussen gever en ontvanger

Functionarissen van fondsen die geld toevertrouwen aan maatschappelijke projecten zullen zich van tijd tot tijd afvragen wat zij met hun financiële ondersteuning willen bereiken. Welke waarden dienen als uitgangspunt voor het toevertrouwen van bijdragen aan aanvragers? Welke relatie wil het fonds met de aanvrager onderhouden? Welke verwachtingen koestert het fonds van het gesteunde project?

Lezers van mijn eerdere berichten zullen weten welk standpunt ik inneem ten opzichte van afhankelijkheidsrelaties en ongelijkwaardigheid in de relatie tussen gever en ontvanger. Geefmechanismen brengen al gauw een verwachtingenpatroon met zich mee, waarin afhankelijkheid op de loer ligt. Niet alleen tussen privépersonen, ook in de relatie tussen fondsen en aanvragende organisaties doet zich dat voor: niet zelden heb ik aanvragers aan de lijn gehad die slapeloze nachten kregen van de regeltjes, richtlijnen en uitzonderingen die fondsen hanteren om te voorkomen dat initiatiefnemers draaideur-aanvragers zouden kunnen worden.

Fondsen voegen geregeld de beperking “eenmalige bijdrage” toe aan hun toekenningsbrieven. Steeds vaker vraag ik me af of die formulering ertoe dient om afhankelijkheid te van de aanvragers voorkomen of eigenlijk verveling bij de fondsbestuurders. In de praktijk zien aanvragers zich namelijk genoodzaakt om in een volgend jaar bij een ander fonds aan te kloppen voor een – inderdaad: eenmalige – bijdrage. De één-keer-maar-liever-niet-weer benadering leidt naar mijn indruk tot krampachtige aanvragen, met sociaal wenselijke formuleringen en ambities die soms ver van de realiteit staan. Een ander effect vormden de zeurende aanvragers, die net zo lang een aanvraag indienen tot een fonds een (vaak symbolische) bijdrage verleent om er maar vanaf te zijn.

Het gebrek aan mogelijkheid om met fondsen in dialoog te gaan leidde in mijn beleving vaak tot ongelijkwaardige relaties, waarbij de aanvrager een angst-gedreven, ondergeschikte positie innam, en het fonds (al dan niet opzettelijk) een dominante, afstandelijke positie. Dat ging soms zó ver, dat aanvragers de communicatie van fondsen die wél nauw betrokken wilden zijn bij een project niet begrepen en met argwaan ontvingen.

De relatie fonds-aanvrager is volgens mij verweven van onuitgesproken angsten, verwachtingen, afhankelijkheden en ongelijkwaardigheid. Het is haast niet te peilen, in hoeverre dit doorwerkt. Het vervelende is: mochten fondsen daarin oprecht geïnteresseerd zijn en vragen daarover willen stellen, dan zullen ze zelden een eerlijke uitspraak van een aanvrager mogen verwachten. De angst om een volgende (mogelijke) bijdrage mis te lopen bepaalt de antwoorden die ze geven. Ze lopen in feite altijd op eieren. Een situatie die moeilijk te doorbreken is.

Ik zou willen pleiten voor een diepgaande relatie tussen fonds en aanvrager, waarbij gelijkwaardigheid tussen beide partijen een kans krijgt om te ontstaan. Dat kost tijd, en zal zeker leiden tot een grotere strijkstok. Ik voorspel ook dat het zal leiden tot effectievere bijdragen, waarbij werkelijke behoeften worden vervuld, want die is nooit op basis van een papieren werkelijkheid vast te stellen. Die is alleen waar te nemen aan de hand van een of meer projectbezoeken.

Veel fondsen beperken hun risico’s door bijdragen aan projecten te beperken tot een vastgestelde grens, maar verliezen daarmee uit het oog dat ze daarmee nauwelijks het verschil maken. Met een bijdrage van 5 – 10 % aan een project is een aanvrager zelden geholpen en met meer dan 4 á 5 gevers wordt deze opgezadeld met met een verantwoordingsplicht die zijn weerga niet kent. Het werkt de creatie van parallelle projectbegrotingen en -verantwoordingen in de hand en in feite worden administratieve lasten verlegd naar de aanvrager. Die is ook nog eens aangewezen op hooggeschoold personeel, dat op zijn minst vindingrijk genoeg is om aan de wensen van alle financiers te voldoen – maar daar ook een passend uurtarief tegenover stellen. Zonde geld.

En dan die strijkstok. Oh, wat maken fondsen daar soms een punt van. Dermate zelfs, dat ze zichzelf de gelegenheid ontnemen om de gesteunde projecten diepgaand te evalueren. In feite weten veel fondsen niet welke verandering ze hebben bereikt in de kwaliteit van leven van projectdeelnemers. Ik pleit ervoor, om het aantal bijdragen te verminderen en de bijdrage per project te verhogen. In feite kan een fonds dan evenveel arbeidstijd besteden aan een concentratie van projecten. Ik zou een fonds dat € 500.000 per jaar heeft te besteden willen aanraden om liever 10 projecten van (gemiddeld) € 50.000 per jaar te steunen, dan 100 projecten van € 5.000. Het belang van een kleine bijdrage vervliegt te gemakkelijk, met een bijdrage van meer dan 30% maak je pas echt het verschil.

Geef een antwoord