Spullenhulp

Onlangs trof ik op een Hongaarse mediasite een filmpje aan van een verdeling van hulpgoederen in een dorpje in het noordoosten van Hongarije. Ook trof ik een artikel aan in een plaatselijk nieuwsblad over inzameling van goederen voor Oost-Europa. Dat was aanleiding tot het schrijven van dit artikel. Ik heb het filmpje laten ondertitelen, en hieronder gedeeld.

Regelmatig heb ik gedurende mijn loopbaan ervaringen opgedaan met organisaties die spullenhulp verlenen aan (groepen) mensen in het buitenland. Het gaat om een vorm van hulp, waarbij goederen worden ingezameld die vervolgens op transport worden gezet naar een bestemming in het buitenland en daar terechtkomt bij mensen die arm of kwetsbaar zijn. Bekend waren de hulpacties voor kinderinternaten in Roemenië in het begin van de jaren ’90, kort na de val van het regime van Ceausescu. Nederlandse scholen hebben hun meubilair laten vervoeren door hulporganisaties naar bestemmingen in het buitenland. Ziekenhuizen in Nederland schenken gebruikte medische apparatuur aan ziekenhuizen in Afrika. Op 21 februari 1999 besteedde Van Gewest tot Gewest aandacht aan een hulpactie waarbij bouwmaterialen uit de sloop van woningen in de Bijlmer werden verscheept naar Suriname. Overtollige computers zijn in Oekraïne beland(1) en, zoals bijgaand artikel bijvoorbeeld laat zien, worden meubels, kleding, dekens en andere spullen gebracht naar de provincie Moldova in Roemenië. Met dergelijke hulpinzamelingsacties zijn talloze vrijwilligers in Nederland betrokken en dat is voor sommige fondsen reden om aanvragen voor bijdragen aan hulptransport in overweging te nemen.

Spullenhulp heeft een aantal eigenschappen, die direct van invloed zijn op de mogelijke ontvangers, op de grotere gemeenschap waarin ze leven, op de lokale nijverheid en industrie en op het milieu. Er is een veelvoud van factoren die meespelen bij deze vorm van hulpverlening en alle hangen onderling samen. Ze zijn het overwegen waard:

1. Waar veel gevers geen oog voor hebben, is de ongelijkheid tussen gever en nemer. Dit aspect wordt zelden meegewogen in de overweging tot het verstrekken van spullenhulp, maar heeft dramatische gevolgen voor de ontvanger. Op het moment van overdracht komt die ongelijkheid het meest tot uitdrukking: de gever is gefortuneerd en staat boven de ontvanger, die wordt bevestigd in zijn onvermogen om iets aan zijn situatie te veranderen. Gulheid wordt vaak beantwoord met hebzucht. De ontvanger wordt niet aangesproken op zijn talenten of vaardigheden, want de hulp is onvoorwaardelijk: er wordt niets van hem verwacht.
Inherent aan de ongelijkheid is de afstand tussen gever en ontvanger: naast de economische en geografische afstand bestaat er een culturele en taalkundige belemmering voor het ontstaan van diepe vriendschapsbanden, gebaseerd op gelijkwaardigheid.

2. Aan het vaststellen van de noodzaak tot een schenking gaat geen onderzoek vooraf naar de behoeften van de ontvangers. Op de eerste plaats spelen de behoeften van de gevers om van overtollige goederen af te komen een rol. Spullenhulp is vaak ongevraagd, oftewel aanbod-gedreven. De gevers nemen het initiatief. Hulpacties gaan uit van de wens tot goed doen bij de gever. Of dat de ontvanger uitkomt, is van ondergeschikt belang. Omdat hulp vaak ongevraagd is, wordt de overdracht ook meestal niet beklonken met een oprecht ‘dankjewel’. Een goede vriendin van mij zag eierklutsers rondslingeren in het Surinaamse regenwoud die daar met hulpgoederentransport waren terechtgekomen.

3. Het verdelen van spullen is alleen mogelijk op onrechtvaardige wijze. Verdeling van hulpgoederen creëert willekeurige scheidslijnen tussen ontvangers en niet-ontvangers. Dit kan de sociale cohesie in een gemeenschap onder spanning zetten. Wie krijgt wel en wie niet? Soms worden etnische schijdslijnen gehanteerd – een gevaarlijk spel met de heersende lokale verhoudingen. Hoe leg je uit aan de niet-ontvangende gemeenschap op grond waarvan je onderscheid maakt?
Maar ook al heb je een ontvangende gemeenschap bepaald, dan kun je het nóg niet goed doen. Er zijn twee risico’s: 1. Er zijn teveel goederen. Wie 101 dekens verdeelt in een dorp met 100 inwoners, loopt een grote kans dat er een aantal ruzie krijgt over die ene, overgebleven deken. 2. Er zijn te weinig hulpgoederen. Ook dat is een probleem. Waarin dat kan ontaarden zien we in de video.

4. Veel spullenhulp (en dat geldt ook voor andere vormen voor ontwikkelingshulp) is niet adequaat omdat zij niet aansluit op de capaciteiten van de ontvangers. Alsof je iemand met een depressie een plezier doet met een dagje Efteling. In plaats van één stap voorwaarts, drijven gevers de ontvangers 5 of 10 stappen vooruit. In een school waarin krijtjes en schoolborden worden gebruikt, moet je geen beamers en laptops uitdelen (helemaal niet, als de stroomvoorziening ontoereikend is). In een gemeenschap die land bewerkt met dierkracht, moet je geen tractors beschikbaar stellen (helemaal niet, als de bodemgesteldheid dat niet toelaat of als er geen onderdelenvoorziening is). We kennen allemaal het beklag van de organisaties die tractors of waterpompen schonken aan gemeenschappen in Afrika en bij een vervolgbezoek moesten vaststellen dat deze al in onbruik waren geraakt voordat er goed van kon worden geprofiteerd. Goederenhulpacties zijn typisch bedoeld voor noodsituaties, waarin de strijd om overleven vooraan staat. Ze zouden zich daarom moeten beperken tot de basisbehoeften van de ontvanger (eten, drinken, gezondheid).

5. Het effect van spullenhulp is meestal averechts. Nederlands schoolmeubilair kan wellicht bijdragen aan verbetering van de zithouding van leerlingen in een school in Kenia, maar is de doodsteek voor plaatselijke bedrijfjes die zelf in staat zijn om meubilair te maken. Kledingzendingen hebben menig lokale textielfabrikant de das omgedaan. Spullen die economische waarde vertegenwoordigen worden door de ontvangers verhandeld op de plaatselijke markt en van de inkomsten worden consumptiegoederen gekocht die op korte termijn ‘verdampen’ of worden geruild tegen genotsmiddelen die een verslaving in stand houden.
Ook averechts zijn de milieu-effecten van spullenhulp. Vooral elektronische goederen, die al voorbij hun economische levensloop zijn, hebben een beperkte levensverwachting in het land van bestemming. Wat er met apparatuur gebeurt nadat het kapot gaat laat zich raden: er is geen systeem voor afvalverwerking en daardoor komen ze terecht in circuits of op dumpplekken die daarvoor niet zijn toegerust. Maar ook met iets eenvoudigs als kleding kan het misgaan, zoals ik hierna beschrijf.

6. Spullenhulp wordt verstrekt zonder lange termijnvisie. Met spullenhulp zet je geen maatschappelijke ongelijkheden recht. Dat doe je door scholing, wetgeving en handhaving, winstdeling, ‘empowerment’ en vooral door te luisteren, met mensen in gesprek gaan en een degelijk beeld vormen van hun beweegredenen, drijfveren, overtuigingen. Dat doe je door ze in hun waarde te laten. Dat is enorm moeilijk, gezien de afstand tussen gever en ontvanger. Er worden in het algemeen geen afspraken gemaakt over het eigenaarschap van de ontvangen spullen. Niemand zal zich dus verantwoordelijk voelen voor het beheer op de lange termijn – of dat nu een doos kleurpotloden of een röntgenapparaat is. De meeste gevers verbinden geen verwachtingen aan hun schenking. De gever vraagt een schoolkind niet eens om een tekening toe te sturen die zij heeft gemaakt met de kleurpotloden. Niemand vraagt de ziekenhuisdirectie om over een jaar te laten weten, hoeveel foto’s er mee zijn gemaakt. Na afloop wordt onvoldoende geëvalueerd of de hulp toereikend is geweest.

Waarin aanbod-gedreven spullenhulp kan uitmonden laat het volgende filmpje van 5 minuten zien, dat is opgenomen in het dorpje Csenyéte in het Noordoosten van Hongarije.

Bron: IndexVideó, 18 november 2013

Wat we zien in het filmpje is dat er noodhulp wordt geboden aan een gemeenschap die overigens niet is getroffen door een natuurramp, oorlog of epidemie. Tijdens de uitdeling van kleding ontstaat onenigheid over de verdeling en dat ontaardt in een scheldpartij en een worsteling. Naar mijn gevoel verliezen de ontvangers op dat moment een stukje van hun waardigheid. Op de schaal van Maimonides is deze hulpverlening slechts te rangschikken op het laagste niveau.

Van april 1991 tot december 1992 heb ik in dit dorp gewoond en van nabij gezien, welke effecten dergelijke hulptransporten teweegbrachten. Destijds arriveerden dergelijke transporten namelijk ook al in het dorp – uit Nederland, onder andere. De praktijk liet zien dat dergelijke verdelingen leidden tot onrust en verdeeldheid onder de bewoners. Kleding werd verhandeld op de plaatselijke markt, wat wellicht goed was voor de ondernemersgeest, maar dat effect was van tijdelijke aard en niet zelden werd er alcoholische drank gekocht van de inkomsten. De Nederlandse gevers hebben me gevraagd of ik de verantwoordelijkheid voor de verdeling niet op me wilde nemen. Dat heb ik geweigerd en dat werd me niet in dank afgenomen. Ik verbleef in het dorp met de bedoeling om verandering op lange termijn te bereiken met kleinschalige groenteteelt en daar paste instant hulpverlening niet bij.
Het is jammer om te zien dat er in 22 jaar niets is veranderd. De geverscaroussel draait nog steeds.

Ook als aanvraagbeoordelaar voor fondsen heb je de taak om te onderzoeken wat de relatie is tussen initiatiefnemer en doelgroep, de noodzaak van een project, welke effecten er op lange termijn worden beoogd en of een project aansluit op bij de behoeften van de deelnemers. De uitdaging daarbij is dat je meestal niet in gesprek bent met de doelgroep, maar met een altruïstische of charismatische tussenpersoon, die als spreekbuis fungeert voor de doelgroep. Deze tussenpersoon plaatst een filter op de informatie die je nodig hebt om zo’n aanvraag te beoordelen. Dat geldt voor projecten in Nederland net zo goed als voor projecten over de grens. Zo nu en dan kreeg kreeg ik te maken met verzoeken om financiële bijdragen van organisaties (scholen, kerken, verenigingen of vriendenstichtingen) die een hulptransport naar het Oosten van Europa of Suriname wilden financieren. Vaak waren de transportkosten hoger dan de waarde van de hulpgoederen. Steevast werden deze aanvragen afgewezen, omdat niet werd voldaan aan de minimale voorwaarden dat de hulp adequaat, rechtvaardig, behoefte volgend, langdurig en gelijkwaardig is. Die uitgangspunten zou ook Minister Ploumen moeten kennen.

Het lastige bij dergelijke initiatieven is dat de gevers niet of nauwelijks aanspreekbaar zijn op de effecten die hun hulpverlening heeft op de ontvangers. Zij doen immers goed; ze voeren een activiteit uit die maatschappelijk hoog in aanzien staat: altruïstisch gedrag mag niet ter discussie worden gesteld. Altruïsme kan echter ook het verwerven van maatschappelijk aanzien tot doel hebben – mits publicitair voldoende opgemerkt. In die vorm dient het de zelfverwezenlijking van de gever. Vragen of de gever bereid is om de hulp te evalueren wordt daarom vaak ervaren als een persoonlijke aanval. ‘Wat moeten we anders?’ voeren de gevers aan ter verdediging: ‘als wij ons niet ontfermen over deze goederen zouden ze op de vuilstort terechtkomen! Dat is toch zonde?’

Ik denk niet dat dit zonde is. Welk recht hebben wij om mensen op te zadelen met onze overschotten? Veel goederen zouden zijn vernietigd omdat ze hoe dan ook niet meer voldoen aan onze richtlijnen voor veilig gebruik. In het geval van tweedehands computers is de kans reëel dat de verouderde besturingssystemen niet meer te beveiligen zijn. Wat gebeurt er nadat ze definitief in onbruik zijn geraakt? In Nederland hebben we betere afvalscheidingsmethoden dan in – pakweg – Oekraïne. In Csenyéte lagen de kledingresten als afval in de beek te vergaan, terwijl het volgende transport al weer onderweg was. Overschot is geen rechtvaardiging voor spullenhulp.

De wens om te geven kan angstaanjagende vormen aannemen. Linda Polman beschrijft de dynamiek van geefmechanismen uitgebreider in het boek “De Crisiskaravaan“, dat in 2008 uitkwam, maar wat mij betreft nog steeds actueel is. Ik raad het boek aan elke aanvraagbeoordelaar aan, ook als je niet werkt voor een fonds dat bijdraagt aan noodhulp.

[Aanvulling 10 juli 2015: Dat spullenhulp kan uitmonden in dramatische situaties illustreert dit artikel op NOS.nl dat melding maakt van 22 doden bij een kledinguitdeling in Bangladesh.]

[dit artikel heb ik op 3 september 2015 onderworpen aan een grondige herziening]

[een vervolg op dit artikel vind je hier.]

Geef een antwoord