Tag archieven: compexe organisaties

Complexe organisatiestructuren

Een poosje geleden had ik een gesprek met een vakgenoot met wie ik af en toe bijpraat over werk (aanvraagbeoordeling). Zij heeft net als ik bij diverse fondsen gewerkt en daarbij een scherp zintuig ontwikkeld voor moeilijk te doorgronden aanvragen. Daar kunnen uiteenlopende redenen voor zijn.

Zij noemde een voorbeeld van een organisatie die een bijdrage had ontvangen van een fonds. Na toekenning bleek dat een sleutelfiguur in de organisatie, die de aanvraag had ingediend als stichting, ook een aandeelhouder in een besloten vennootschap was. Tegelijkertijd was de aandeelhouder ook zelfstandig ondernemer. Dit had zij geconcludeerd uit de uittreksels die ze had opgevraagd bij de kamer van koophandel. Een aanzienlijk deel van de ontvangen bijdrage was overgedragen aan de bv. Kortom: er is sprake van verweving van relaties tussen een organisatie zonder winstoogmerk en mét winstoogmerk. Onduidelijk was, welke onderlinge afspraken of overeenkomsten er tussen deze rechtspersonen bestonden.

In het algemeen richten mensen verscheidene typen rechtspersonen op omdat zij daarmee economische voordelen kunnen behalen. Als zelfstandig ondernemer heb je bijvoorbeeld onder bepaalde omstandigheden recht op zelfstandigenaftrek, een bv. richt je op als je bepaalde risico’s wilt mijden en een stichting richt je op als je een ANBI status wilt verkrijgen en kunnen meedingen naar donaties van fondsen. Impopulair gezegd wordt dat eten van meerdere walletjes. Afhankelijk van het project dat je initieert, beoordeel je welk deel daarvan je het beste bij welke rechtspersoon kunt onderbrengen. Niet in de laatste plaats heeft de Belastingdienst bijgedragen aan het compliceren van deze constructies.

Nathalie vroeg mij of er misschien cursussen zijn waar je kunt leren hoe je dergelijke constructies beoordeelt. Misschien had ik zelf zin in het ontwikkelen van zo’n cursus?

In het Handboek voor aanvraagbeoordelaars ga ik vrij uitgebreid in op de consequenties voor fondsen van complexe organisatiestructuren waarmee aanvragers zich omkleden. Fondsen dienen zich ervan bewust te zijn dat het oprichten en in stand houden van diverse rechtspersonen het zicht op de belangen er niet makkelijker op maakt. Om goed op de hoogte te zijn van de aard van de relaties tussen rechtspersonen, dient een aanvraagbeoordelaar zich eerst af te vragen, wat hij precies wil weten en waarom. Ook dient hij zich af te vragen, hoeveel inspanning hij wil besteden aan de beoordeling van een aanvraag. Er zijn grenzen aan de hoeveelheid tijd die je wilt besteden aan een project, immers, er ligt altijd wel een stapel aanvragen te wachten op beoordeling.

De vraag waarom je als aanvrager wilt weten welke relaties er bestaan tussen de aanvrager en andere rechtspersonen dient misschien als eerste te worden beoordeeld. Een deel van het antwoord ligt in de beoordeling van de financiële noodzaak van een bijdrage. Veel fondsen zijn opgericht om initiatieven te ondersteunen die het niet makkelijk hebben. Marginale doelgroepen of net ontkiemende initiatieven zijn kwetsbaar en juist daarom voor fondsen interessant. Er bestaan meestal geen andere financieringsmogelijkheden voor, dan fondsen. Je wilt dus als aanvraagbeoordelaar uitsluiten dat fondsbijdragen worden verleend aan aanvragers, die het feitelijk niet nodig hebben. Ook zou voor sommige fondsen een rol kunnen spelen dat zij liever niet bijdragen aan de vermogensopbouw van privépersonen. De inkomsten van stichting of vereniging mogen niet worden uitgekeerd aan privépersonen.

Daarnaast willen fondsen zo veel mogelijk zekerheid over de uitvoering van een project. Als de het zicht op competenties en verantwoordelijkheden van uitvoerders wordt verdoezeld door ondoorzichtige belangen en organisatiestructuren, dan is het na afloop onmogelijk om iemand aan te spreken op het (niet) bereikte resultaat. Het leren van lessen uit de ervaringen heeft dan ook weinig zin.

Daarmee kom je uit bij de vraag: wát wil je beoordelen? Een aanvrager die als B.v. aanspraak kan maken op startersregelingen van de overheid, als zelfstandig ondernemer kan profiteren van aftrekregelingen heeft niet per se ondersteuning van een fonds nodig. Hij kan elders economische voordelen behalen. En als dat niet zo is, dan zou dat moeten worden aangetoond middels jaarrekeningen of andere documentatie. In de praktijk zijn organisaties met winstoogmerk niet altijd bereid die te overleggen.

Aan de hand van jaarrekeningen van andere (verstrengelde) rechtspersonen kan een aanvraagbeoordelaar ook zien of er wellicht (buitenproportioneel) winst wordt uitgekeerd aan vennoten of eigenaren. Dit vergt dan wel dat fondsen richtlijnen aannemen over wat acceptabel is als uitkering aan medewerkers.

Het onderzoeken van jaarrekeningen en onderlinge belangen neemt veel tijd in beslag en is niet het meest aantrekkelijke onderdeel van het werk. Voor aanvraagbeoordelaars is het moeilijk om te beoordelen wat realistisch en (on)wenselijk is. In reactie daarop zie je dat fondsen grenzen trekken bij typen organisaties die ze wel en niet steunen. Sommige sluiten bijvoorbeeld AWBZ-gefinancierde instellingen uit van bijdragen. Dat is helder en duidelijk. Ik adviseer fondsen daarom de mogelijkheid tot het indienen van aanvragen in elk geval te beperken beperking tot organisaties waarvan alleen privépersonen (zonder rechtspersoonlijkheid) deel uitmaken. Een bv. als oprichter van een stichting is dus uitgesloten.

Ondanks dat een fonds hiermee een duidelijke beperking in zijn toekenningenbeleid aanbrengt, sluit dit verstrengeling van belangen niet uit. Bestuursfuncties bij aanvragers zijn meestal onbezoldigd, bestuursleden hebben meestal een (economische) rol bij een werkgever of als ondernemer. In die hoedanigheid kunnen ze banden hebben met de organisatie die een aanvraag. Dat kan worden ondervangen door het verzoek tot vermelding van nevenfuncties van bestuursleden en medewerkers, een verplichting waar veel fondsen zelf aan moeten voldoen, is een verdere mogelijkheid.